

“Deze gitaren zijn heel intiem, heel delicaat, zeer kwetsbaar en vol kleur,” vertelt Raphael Feuillâtre aan Apple Music Classical. “Ze zijn warm, zacht en supergevoelig, dus alles wat je erop doet, komt door.” Hij praat over de gitaren die hij bespeelt hij op zijn album Spanish Serenades. Ze behoorden ooit toe aan de grote Spaanse componisten Isaac Albéniz, Miguel Llobet en Francisco Tárrega, en worden doorgaans achter slot en grendel bewaard door verzamelaars in Italië en Parijs. Maar Feuillâtre heeft ze even vrijgelaten om een unieke klank te verlenen aan zijn programma met populaire gitaarwerken. “Ik wilde een heel frisse interpretatie, en deze instrumenten hebben me gewoon geleid”, zegt hij. Met deze opname verplaatst Feuillâtre zich van het laat-17e en 18e-eeuwse Franse en Duitse repertoire van zijn debuut op Deutsche Grammophon: Visages baroques naar de zonnige melancholie van de laat-19e, vroeg 20e-eeuwse Spaanse werken. Deze stukken, geworteld in het nationalisme van die tijd, vieren de klanken van Spanje, waaronder de flamenco-versieringen van Albéniz's ‘Asturias. Leyenda’ uit de Suite española waarmee het programma opent, tot de Arabische en Moorse stijlen van Tárrega's Capricho árabe die de componist hoorde op zijn reizen door Andalusië en Noord-Afrika. Naast het feit dat ze putten uit de volksmuziektradities zijn deze stukken zeer virtuoos, waarbij ze vaak een grote behendigheid vragen, zoals in de tremolo herhaalde noten-figuur van Tárrega's Recuerdos de la Alhambra, of de prachtige preludes die dezelfde componist schreef voor zijn leerlingen. Zoals bij het klavecimbelrepertoire van zijn vorige cd zijn niet alle werken hier oorspronkelijk bedoeld voor gitaar, en Feuillâtre voegt ook arrangementen van hemzelf toe waaronder bijvoorbeeld Granados's ‘Andaluza’ (oorspronkelijk geschreven voor piano) dat hij speelt met violiste María Dueñas. “Ik wil gewoon mijn eigen partituren met precies de noten die ik wil spelen,” zegt hij. Een van de redenen waarom Rodrigo's Concierto de Aranjuez zo moeilijk te spelen is, voegt hij toe, is dat de componist geen gitarist was. “Als uitvoerder merk je dat,” zegt hij. “Dat is vooral een uitdaging in het derde deel, dat heel erg snel is. Tegelijkertijd zitten er veel akkoorden in die niet echt handig zijn om te spelen, dus je vingers moeten heel snel van alles overbruggen.” Feuillâtre groeide op met luisteren naar en leren van de groten: Andrés Segovia, Paco de Lucía en Narciso Yepes hebben allemaal zijn aanpak beïnvloed, maar er is veel ruimte voor nieuwe ideeën, zegt hij. “In het Concierto heb ik geprobeerd, vooral in de cadenza's, iets te doen wat op het randje zit van wat mogelijk is met een klassieke gitaar: meer naar de flamencoklank toe bewegen.” Luistert hij ooit naar flamenco? “Natuurlijk, ik ben al vaak in Spanje geweest,” zegt hij, “en elke keer ga ik naar een flamencovoorstelling. Ik hou van die muziekstijl. Toen ik jong was, wilde ik flamencogitaar spelen, maar dat is heel anders - je hebt een ander instrument nodig en het verpest je nagels.” Maar de vreugde en hartverscheurende pijn die flamenco drijft, dat zit allemaal in deze serenades. Neem bijvoorbeeld Llobet's ‘El testament d’Amelia’, gebaseerd op een Catalaans volkslied dat de laatste uren van een prinses beschrijft die is vergiftigd door haar jaloerse stiefmoeder; of ‘Cançó del lladre’ van dezelfde componist, over een ter dood veroordeelde dief die terugkijkt op zijn leven. Feuillâtre laat de droefheid zingen, niet in het minst in het ‘Adagio’ van het Concierto – een werk dat in 1939 werd gecomponeerd, na de Spaanse burgeroorlog en de opkomst van Francisco Franco. Het roept de gelukkige dagen op van Rodrigo's huwelijksreis met de Turkse pianist Victoria Kamhi in Aranjuez, evenals zijn grote verdriet over de miskraam van hun eerste kind. “Vooral dat tweede deel,” zegt Feuillâtre, “grijpt je gewoon recht naar je hart.”